De droom

‘Ik heb zo raar gedroomd vannacht,’ zei Iris.
Ze zette de bekers rooibosthee op de salontafel en ging naast Ben op de bank zitten.

Haar dochtertje lag in bed.
Tanden gepoetst, nog even over opa en oma gepraat, verhaaltje voorgelezen.
Saartje was moe geweest van de lange treinreis en sliep al voor ze de kamer uit was.
Ze had de weekendtas verder uitgepakt en voor ze naar beneden ging om de hoek van de deur naar haar slapende kind gekeken.
Het maanvormige nachtlampje legde een zilverachtige glans over haar gezichtje.
Zoals altijd ontroerde de aanblik haar.

Gisteravond had ze zo staan kijken met haar vader en moeder, bij de deur van haar oude kamer in haar geboortehuis, waar haar ouders nog altijd woonden.
Zelfs het kinderbedje en het nachtlampje waren vroeger van haar geweest.
Haar moeder bewaarde alles.

Rond middernacht was ze in diezelfde kamer in haar oude eenpersoonsbed gestapt.
Daar had ze de droom gehad.
Ze was er wakker van geworden en had het bedlampje aangeknipt.
Tien over half vier.

Ze had nog uren wakker gelegen en daarna was Saartje algauw bij haar onder de vertrouwde wollen deken gekropen. Lief en stil, maar binnen een paar minuten ongedurig als een jonge hond.
Ze had het spartelende lijfje tegen zich aan gedrukt en gemompeld: ‘Ga maar even spelen.’

Er lag wat oud speelgoed in het kastje. Een puzzel waar Saartje snel op was uitgekeken. Hamertje Tik.
Ze was maar opgestaan. Ze voelde zich gebroken.

Ben zette het geluid van de televisie zachter en keek haar aan.
Hij zag er moe uit, dat had ze direct bij thuiskomst al gezien.
De huid rond zijn ogen was gezwollen.
Zo zag hij eruit na een nacht doorzakken met veel drank.
‘Laat geworden?’ had ze alleen maar gevraagd en hij had geknikt.

Toen ze thuiskwamen had hij staan koken.
Hij had haar een glaasje wijn ingeschonken en ze was dankbaar aan de al gedekte tafel gaan zitten.
Saartje had zich schaterend aan zijn benen vastgeklemd en hij had het spelletje gespeeld dat ze van hem verwachtte, was met haar voetjes op zijn voeten, haar handjes in zijn handen ‘tenendansend’ naar de kinderstoel gestapt.

‘Wat heb je dan gedroomd?’ vroeg Ben.
Plotseling schaamde ze zich. ‘Het is nogal kinderachtig,’ begon ze verontschuldigend.
‘Jij lag in bed met Ella. Ik werd er wakker van en daarna kon ik er een hele tijd niet van slapen. Raar hè?’
‘Heel raar,’ beaamde Ben. Met een gezicht of ze iets smerigs had gezegd richtte hij zijn blik weer op de televisie.
Hij zette het geluid harder. Het journaal begon.

Die donderdag had Iris haar schildercursus.
Ze was op les gegaan toen Ben net bij haar woonde; het was alweer ruim een jaar zijn vaste oppasavond.
‘Somber,’ oordeelde de medecursiste die meestal naast haar zat aan het eind van de avond. ‘Die donkere kleuren, dat vind ik niks voor jou.’
Iris keek naar de wolken die ze had geprobeerd te schilderen en grinnikte.
‘Er is zeker zwaar weer op komst. Zo had ik het helemaal niet bedoeld. Kom, laten we iets gaan drinken.’

Met het gebruikelijke ploegje mensen streken ze neer in de kroeg vlak bij het creativiteitscentrum.
Het was er redelijk druk.
Iris kwam een paar bekenden tegen met wie ze in gesprek raakte en toen de mensen van de cursus vertrokken, zwaaide ze naar hen ten teken dat ze nog even bleef.
Ze wilde net afrekenen toen Ella binnenkwam.

Ze had eigenlijk nooit veel contact gehad met Ella.
Niet dat ze het niet had geprobeerd. Iris huldigde het standpunt dat je maar het beste goed kon omgaan met je eigen exen en die van je geliefde.

Ella was de ex van Ben. De laatste, om precies te zijn. Geen gemakkelijke tante, had Iris ervaren.
Haar pogingen om ‘normaal’ met elkaar om te gaan waren tot nu toe gestrand op afstandelijkheid van Ella’s kant.
Er waren keren geweest dat ze ronduit neerbuigend tegen Iris had gedaan.

Het was een kleine stad, in het uitgaansleven liep je elkaar algauw tegen het lijf, dat bleek ook nu weer.
Iris zette haar vriendelijke gezicht op.
Tot haar verbazing kwam Ella naar haar toe.
‘Wil je iets drinken?’ vroeg ze ter begroeting. Ze pakte een kruk en ging naast Iris aan de bar zitten.

Ze zaten samen aan de rode wijn en praatten over veilige dingen, de schildercursus, de vergadering waar Ella net vandaan kwam, hun werk.
Moet je ons nou zien zitten, dacht Iris terwijl ze luisterde naar een lange monoloog van Ella die ze niet helemaal kon volgen.
Het ging over de dingen die ze deed, de details deden er niet toe, besloot Iris.
Ella had een leidinggevende functie, ze was een radde prater.
Nee, ik ga me niet dom voelen, het is een andere wereld en om mijn mening wordt toch niet gevraagd.

Aandachtig keek ze naar het bewegelijke gezicht met de grote bos rood haar. Ze was mooi, klein en fijn als een elf.
Uit gewoonte voelde Iris zich even lelijk en log.
Rustig nou, het is maar een patroon, concentreer je.
Wonderlijk, ze kijkt me nauwelijks aan, en haar handen, wat fladdert ze steeds met haar handen.
‘Vind je het eigenlijk wel leuk, wat je doet?’ flapte ze eruit toen Ella een punt achter een zin leek te zetten.

In de paar stille seconden die volgden zag Iris haar totaal veranderen.
Even leek Ella boven haar uit te torenen.
Er schoot venijn in haar ogen en het was of haar toch al wilde haardos overeind ging staan.
Direct daarna hernam ze haar eerdere houding.
Ze werd weer klein en beminnelijk.
Alleen aan het samenknijpen van haar handen zag Iris dat ze zich kennelijk bedwong.
‘Leuk?’ hervatte ze met een poeslief stemmetje. ‘Ik heb het veel te druk voor leuk. Dat is meer iets voor jou.
Werken als het je uitkomt; leuke boeken lezen als je kind naar de speelzaal is of slaapt.’

Aardige omschrijving van vertalen, dacht Iris terwijl ze op haar lip beet om niet in de verdediging te schieten, te beginnen over kunst en vliegwerk.
‘Ik heb geluk,’ zei ze en terwijl ze die woorden uitsprak, besefte ze dat ze het meende.
‘Ik hou van mijn werk. En met Saartje gaat het goed. Ze ziet Ben echt als haar vader en hij is geweldig met haar.
Laatst zei iemand die niet weet hoe het zit, dat ze op hem lijkt. Trots dat hij was! Dat vond ik zo grappig.
Willen Harry en jij geen kinderen?’

‘Ik wil wel een kind,’ antwoordde Ella. ‘Als jij ervoor zorgt.’
Ze gebaarde naar de barkeeper dat ze wilde betalen en liet zich van haar kruk af glijden.
Iris begon te lachen, maar hield er bijna direct weer mee op.
Het was geen grapje geweest, dat zag ze aan Ella’s ogen.
‘Bedankt voor de wijn,’ zei ze terwijl ze haar jas pakte.
Toen ze omkeek was Ella verdwenen.

‘Ik heb zoiets raars meegemaakt,’ zei Iris.
Ze zette een glas bronwater op de salontafel en schonk dat van Ben bij.
‘Ik kwam Ella tegen. We hebben een wijntje met elkaar gedronken. Ze zei van alles, maar het was net of ze met haar handen een heel ander verhaal vertelde.
Het klopte gewoon niet met elkaar. Ze deed echt vreemd.’

Ben kreunde. ‘Het is een nachtmerrie, dit. Het spijt me verschrikkelijk, Iris.’
Hij pakte haar hand, klemde zich eraan vast.
‘Ik had het je meteen moeten zeggen, afgelopen zondag, toen je erover begon, maar, nou ja, dat is geen excuus, ik kon het niet, of ik wilde het niet. Eigenlijk wilde ik gewoon dat het niet waar was.’

‘Dat wát niet waar was?’
Ze vroeg het, maar eigenlijk wist ze het al. Ze zag de wanhoop in zijn ogen.
IJzig kalm werd ze. Dus toch.

‘Ik kwam haar zaterdag tegen in de kroeg. Het was al laat, tegen sluitingstijd.
Toen ze dichtgingen vroeg ze of ik nog even met haar mee naar huis ging.
Ik dacht dat Harry daar wel zou zijn, die gaat nooit uit, dat weet je, maar hij was er niet.
Hij is bij haar weg. Maar dat zei ze pas toen we bij haar thuis waren.
Ze maakte een drama. Wilde dat ik haar troostte.
Ik had teveel gedronken. O shit.’
Ze zuchtten allebei. Waren allebei stil.

Iris schudde langzaam haar hoofd.
De gedachte die opkwam was te groot om te bevatten.
De consequenties deden haar duizelen.
‘O jij sukkel,’ zei ze zacht. ‘Ze wil een kind. Van jou. Wist je dat?’

‘Niet op dat moment. Dat zei ze daarna. Een broertje of zusje voor Saartje, maar dan echt van mij.
Zo zei ze het. En jij zou er mooi voor kunnen zorgen als zij naar haar werk is.
Ik dacht dat ik gek werd. Ik heb gezegd dat ik niks meer met haar te maken wil hebben, maar als ze zwanger is…
O mijn God, laat het niet waar zijn.’

Ze hielden nog steeds elkaars hand vast.
‘Nee,’ zei Iris. ‘Laat het niet waar zijn.’

© Annemieke Woudt 2006
Inzending voor de verhalenwedstrijd ‘Zeven hoofdzonden’ van WebRegio.nl.

Nederlands voor anderstaligen